Wat is Marxisme
Het marxisme is het geheel van ideeën en denkbeelden van Marx, Engels, Lenin, Trotski en hun medestanders. Deze ideeën en denkbeelden waren een voortzetting van de drie belangrijkste ideologische stromingen van de 19e eeuw: de klassieke Duitse filosofie, de klassieke Engelse politieke economie en het Franse socialisme in combinatie met Franse revolutionaire doctrines. Uit deze stromingen distilleerden Marx en Engels een modern materialisme en een modern wetenschappelijk socialisme, dat beschouwd kan worden als de theorie en het programma van de ontvoogding van de arbeidersklasse in heel de wereld.
Marx en Engels waren de eersten om aan te tonen dat de arbeidersklasse en haar noden een noodzakelijk product zijn van de huidige economische constellatie. Marx en Engels toonden aan dat het niet de goed bedoelde pogingen van nobele individuen zullen zijn die de mensheid zullen bevrijden van haar onderdrukking, maar wel de bewuste strijd van de georganiseerde arbeidersbeweging. In hun wetenschappelijk werk legden zij uit dat het socialisme geen uitvinding is van dromers, maar dat dit het doel en het resultaat is van de ontwikkeling van de productieve krachten onder het moderne kapitalisme. Sinds het ontstaan van de klassenmaatschappij uit de primitieve samenleving is alle geschiedenis, tot op vandaag, de geschiedenis van de klassenstrijd geweest, de opvolging van de heerschappij en de overwinning van bepaalde sociale klassen over andere. Dit zal blijven duren tot de basis van de klassenstrijd, private eigendom en anarchistische sociale productie, verdwijnt. De belangen van het proletariaat vragen om de vernietiging van deze basis en daarom moet de bewuste strijd van de georganiseerde arbeiders hiertegen gericht zijn. Daarom is elke klassenstrijd ook een politieke strijd.
Vandaag zijn deze ideeën bekend bij een bredere laag activisten en denkers. Lange tijd waren deze ideeën ook dominant aanwezig in de arbeidersbeweging. Zelfs academici hanteren tegenwoordig regelmatig aspecten van het marxistische analysekader (bv. het historisch materialisme), hoewel ze vaak niet de grondleggers ervan erkennen. In de jaren '40 van de 19e eeuw, toen Marx en Engels deelnamen aan de debatten binnen de socialistische beweging, waren die ideeën echter nieuw. Velen die toen deelnamen aan de strijd voor politieke vrijheid en aan de strijd tegen despotisme, slaagden er niet in om de tegenstellingen tussen de belangen van de bourgeoisie en de belangen van het proletariaat waar te nemen. Men was de idee van de arbeidersklasse die zou optreden als een onafhankelijke sociale kracht, niet genegen. Anderzijds waren er vele dromers die dachten dat het volstond om de heersende klasse te overtuigen van de onrechtvaardigheid van de toenmalige sociale orde. Zodra zij hiervan overtuigd waren, zou het wel makkelijk zijn om vrede en welvaart te brengen. Zij droomden van een socialisme zonder strijd. Bijna alle socialisten uit die tijd zagen het proletariaat als een kankergezwel, waarvan de groei best zo snel mogelijk gestopt werd. Marx en Engels deelden deze algemene vrees voor de ontwikkeling van het proletariaat niet; integendeel, zij plaatsten al hun hoop op de voortdurende groei van de arbeidersklasse. Immers, hoe groter het proletariaat, hoe groter de macht ervan als een revolutionaire klasse. Marx en Engels leerden de arbeidersklasse dus om zelfbewust te worden en zij vervingen dromen door wetenschap.
Marx en Engels waren de eersten om aan te tonen dat de arbeidersklasse en haar noden een noodzakelijk product zijn van de huidige economische constellatie. Marx en Engels toonden aan dat het niet de goed bedoelde pogingen van nobele individuen zullen zijn die de mensheid zullen bevrijden van haar onderdrukking, maar wel de bewuste strijd van de georganiseerde arbeidersbeweging. In hun wetenschappelijk werk legden zij uit dat het socialisme geen uitvinding is van dromers, maar dat dit het doel en het resultaat is van de ontwikkeling van de productieve krachten onder het moderne kapitalisme. Sinds het ontstaan van de klassenmaatschappij uit de primitieve samenleving is alle geschiedenis, tot op vandaag, de geschiedenis van de klassenstrijd geweest, de opvolging van de heerschappij en de overwinning van bepaalde sociale klassen over andere. Dit zal blijven duren tot de basis van de klassenstrijd, private eigendom en anarchistische sociale productie, verdwijnt. De belangen van het proletariaat vragen om de vernietiging van deze basis en daarom moet de bewuste strijd van de georganiseerde arbeiders hiertegen gericht zijn. Daarom is elke klassenstrijd ook een politieke strijd.
Vandaag zijn deze ideeën bekend bij een bredere laag activisten en denkers. Lange tijd waren deze ideeën ook dominant aanwezig in de arbeidersbeweging. Zelfs academici hanteren tegenwoordig regelmatig aspecten van het marxistische analysekader (bv. het historisch materialisme), hoewel ze vaak niet de grondleggers ervan erkennen. In de jaren '40 van de 19e eeuw, toen Marx en Engels deelnamen aan de debatten binnen de socialistische beweging, waren die ideeën echter nieuw. Velen die toen deelnamen aan de strijd voor politieke vrijheid en aan de strijd tegen despotisme, slaagden er niet in om de tegenstellingen tussen de belangen van de bourgeoisie en de belangen van het proletariaat waar te nemen. Men was de idee van de arbeidersklasse die zou optreden als een onafhankelijke sociale kracht, niet genegen. Anderzijds waren er vele dromers die dachten dat het volstond om de heersende klasse te overtuigen van de onrechtvaardigheid van de toenmalige sociale orde. Zodra zij hiervan overtuigd waren, zou het wel makkelijk zijn om vrede en welvaart te brengen. Zij droomden van een socialisme zonder strijd. Bijna alle socialisten uit die tijd zagen het proletariaat als een kankergezwel, waarvan de groei best zo snel mogelijk gestopt werd. Marx en Engels deelden deze algemene vrees voor de ontwikkeling van het proletariaat niet; integendeel, zij plaatsten al hun hoop op de voortdurende groei van de arbeidersklasse. Immers, hoe groter het proletariaat, hoe groter de macht ervan als een revolutionaire klasse. Marx en Engels leerden de arbeidersklasse dus om zelfbewust te worden en zij vervingen dromen door wetenschap.
