Waarom een opdeling tussen arbeiders en kapitalisten
Het klassenbegrip van Marx vertrekt van de stelling dat onze klassenpositie bepaald wordt door onze relatie tot de productiemiddelen. Onder het kapitalisme is deze relatie bepaald door een fundamentele ongelijkheid. Eén klasse bezit voldoende economische middelen of voldoende economische eigendom om te voorzien in productiemiddelen en op die manier in haar bestaan, terwijl een andere klasse deze middelen niet heeft. Uit deze asymmetrie in de eigendomsrelaties van het kapitalisme leidt Marx een noodzakelijke tendens tot structurele dwang af. Diegenen zonder toegang tot de productiemiddelen worden door hun situatie gedwongen om hun arbeidskracht te verkopen aan diegenen die de productiemiddelen bezitten om op die manier in hun bestaan te voorzien. Diegenen die de productiemiddelen bezitten en controleren zijn dan in staat om het looncontract zodanig te bepalen dat zij zich het economische surplus, dat gecreëerd wordt door de arbeid, kunnen toe-eigenen. Een gedeelte van de arbeidsdag wordt er een waarde geproduceerd die de productiekosten dekt, terwijl de rest van de arbeidsdag een meerwaarde wordt geproduceerd die de eigenaar van het productiemiddel zich individueel toe-eigent (noodzakelijke arbeid en surplusarbeid). Zij proberen dan ook om het arbeidsproces zodanig te bepalen dat de meerwaarde die door de loonarbeider gecreëerd wordt, toeneemt. Ongelijkheid in de eigendomsrelaties leidt dus tot structurele dwang, en deze dwang leidt tot uitbuiting en onderwerping van diegenen zonder beslissingsmacht over de productiemiddelen aan diegenen met beslissingsmacht over de productiemiddelen.
Marx baseert zijn klassenbegrip dus op de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal. De boeren- en middenklasse zijn sinds de industriële revolutie meer en meer aan het verdwijnen over de hele wereld, hoewel ze uiteraard nog bestaan. Het platteland wordt vandaag hoe langer hoe meer gedomineerd door kapitalistische landbouwbedrijven. Er zijn bijgevolg twee grote klassen in de huidige samenleving: de arbeidersklasse en de bourgeoisie (de kapitalisten). De boeren kunnen geen onafhankelijke rol van deze twee klassen spelen, ze moeten steeds voor een van hen kiezen. Het is de taak van de georganiseerde arbeidersbeweging om in de strijd tegen de bourgeoisie de boeren een programma aan te reiken waar ze zich achter kunnen scharen.
Als marxisten stellen dat er binnen het kapitalisme twee grote oppositionele klassen bestaan, wil dat niet zeggen dat beide klassen een volledig afgebakend geheel vormen waarbinnen zich geen tegenstellingen kunnen voordoen. Binnen de kapitalisten is er bijvoorbeeld een tegenstelling tussen industriële kapitalisten en het financiekapitaal (banken en andere financiële groepen). Er is al lang een tendens bezig waarbij het industriekapitaal steeds meer onder controle van het financiekapitaal valt. Het verschil vervaagt dus en alle lagen van kapitalisten werken samen voor de uitbuiting van de arbeidersklasse. Binnen de arbeidersklasse bestaan dan weer verschillen tussen bijvoorbeeld handarbeiders en bedienden. De bourgeoisie zal deze verschillen zoveel mogelijk ten top drijven en de diverse lagen van de werkende klasse tegen elkaar opzetten. In België bestaat nog steeds niet één statuut voor arbeiders en bedienden, hoewel beide groepen objectief dezelfde belangen hebben vanwege hun verhouding tot de productiemiddelen.
De bipolaire indeling van Marx tussen arbeiders enerzijds en kapitalisten anderzijds is dus inderdaad ruw en algemeen. Een zuiver beschrijvende indeling op basis van beroepscategorieën vertelt ons echter niets over de structurele ongelijkheid in onze productieverhoudingen en de uitbuiting. Juist door haar positie in de kapitalistische samenleving bezit enkel de arbeidersklasse het potentieel te breken met de huidige maatschappelijke ordening en de weg in te slaan naar een samenleving die niet draait rond winst en zonder klassenuitbuiting, het socialisme. Het kapitalisme is immers gebouwd op de uitbuiting van arbeiders, en het zijn zij die beschikken over een ontzaglijke potentiële macht in de productie. Dit bewijzen ze bij grote stakingen, die heel het land kunnen lamleggen en die de kapitalistische winstproductie en de staatsmacht direct in vraag stellen. Onder het kapitalisme is de productie een maatschappelijk proces geworden dat grote groepen omhelst. Die vermaatschappelijking van de productie staat evenwel in contradictie met de individuele toe-eigening van de gecreëerde meerwaarde. Om tot een betere samenleving te komen, dient die contradictie opgeheven te worden, zodat de productiemiddelen niet langer ingezet worden voor individuele winsten maar voor de collectieve en individuele behoeften van en in de gemeenschap. Aangezien arbeiders in groep werken, kunnen zij de kapitalisten onteigenen en collectief de productiemiddelen in handen nemen. Daardoor zou de contradictie opgeheven worden. De arbeidersklasse is met andere woorden de nieuwe revolutionaire klasse.