Geschreven: 1933-1936
Bron: Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 22. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands – De tekst moet oorspronkelijk een brochure geweest zijn, met op de kaft ‘Entrisme’ en het nummer 103, verdere gegevens ontbreken
Deze versie: spelling - de noten in de tekst ontbreken, zodoende is er enkel de opsomming aan het einde van de tekst
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Bron: Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 22. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands – De tekst moet oorspronkelijk een brochure geweest zijn, met op de kaft ‘Entrisme’ en het nummer 103, verdere gegevens ontbreken
Deze versie: spelling - de noten in de tekst ontbreken, zodoende is er enkel de opsomming aan het einde van de tekst
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Uittreksel uit de inleiding tot de tweede Engelse uitgave van Terrorisme en communisme
(10 januari 1935)
Dit boek werd geschreven in 1920, in een wagon van een militaire trein, in een periode dat de vlammen van de burgeroorlog hoog oplaaiden. Deze omstandigheden moet de lezer in gedachten houden, wanneer hij niet enkel het basismateriaal, maar ook de hardvochtige toespelingen en de algemene grondtoon waarin het geschreven is, ten volle wil begrijpen. Om reden van de continuïteit heb ik de titel van het boek behouden, die het droeg bij de eerste Engelse uitgave: “De verdediging van het terrorisme”. Maar er moet dadelijk bij gezegd worden dat deze titel, die er door de oorspronkelijke uitgevers en niet door de auteur aan gegeven is, te breed is en aanleiding kan geven tot misverstanden. We hebben helemaal niet de bedoeling het “terrorisme” als dusdanig te verdedigen. Methodes van dwang en terroriseren, tot en met het fysieke uitschakelen van tegenstanders, hebben tot nog toe (en ze blijven dit doen) oneindig veel meer de zaak van de reactie (vertegenwoordigd door de voorbijgestreefde heersende klasse) gediend, dan wel deze van de historische vooruitgang (vertegenwoordigd in de werkende klasse). De jury van moralisten, die ‘terrorisme’ van welke aard ook verwerpen, hebben zich in werkelijkheid gefixeerd op de revolutionaire daden van de vervolgden, die pogen zichzelf te bevrijden. Het beste voorbeeld hiervan is Mr. Ramsey MacDonnald. In de naam van de eeuwige principes van moraliteit en godsdienst, sloofde hij zich uit in het veroordelen van geweld. Maar toen de ineenstorting van het kapitalistisch systeem en het verscherpen van de klassenstrijd ook in G.B. de revolutionaire machtsstrijd van het proletariaat tot een brandende actualiteit bracht, verliet MacDonnald het Labourkamp voor dat van de conservatieven, met hetzelfde gemak als iemand die in een trein van een rokers naar een niet-rokerwagon stapt. Vandaag houdt de vrome tegenstander van terrorisme met de hulp van het georganiseerde geweld een ‘vreedzaam’ systeem van werkloosheid, koloniale verdrukking, gewapende organen en de voorbereiding van verse oorlogen, in stand.
De ongeneeslijke fabiërs blijven inderdaad zeggen dat, wanneer de argumenten die in dit boek vervat zijn, gelden voor achterlijk Rusland, dit niet betekent dat ze van toepassing zouden zijn voor de ontwikkelde landen en meer bepaald voor oude democratieën zoals Groot-Brittannië. Deze troostende illusie kan misschien een schijn van waarheid gehad hebben, tot ± 15 jaar geleden. Maar sindsdien is een groot deel van de Europese staten terechtgekomen onder de knoet van fascistische en militaire dictaturen. De dag nadat ik uit Rusland verbannen was, op 25 februari 1929, schreef ik (en dat niet voor de eerste keer) i.v.m. de Europese situatie: “De democratische instellingen hebben bewezen dat ze de druk niet kunnen weerstaan die uitgaat van de huidige tegenstellingen die zich voordoen op nationaal en internationaal vlak. Naar analogie met de wetenschap van de elektriciteit, kan de democratie gedefinieerd worden als een systeem van veiligheidsmeters en zekeringen, die een beschutting moeten bieden tegen té sterke stromen van nationale en sociale spanningen. Er komt in de geschiedenis van de mensheid nauwelijks een periode voor die zo vol tegenstellingen was, dan de onze. De overbelasting die op het Europese ‘stroomcircuit’ drukt, openbaart zich meer en meer. Onder de té hoge spanningen van de klasse- en internationale opposities beginnen de zekeringen door te slaan. Dit is de essentie van de kortsluiting die we kennen onder de vorm van dictaturen. De eerste die het begeven zijn natuurlijk de zwakste schakelaars. De interne en wereldopposities worden echter niet kleiner, maar nemen in intensiteit toe. Het is nauwelijks een troost dat deze processen zich slechts afspelen op de rand van de kapitalistische wereld. Jicht begint bij de grote teen, maar eens begonnen stoot het door tot het hart.”
In de zes jaar die verlopen zijn sinds deze woorden geschreven werden, hebben we de ‘kortsluiting’ meegemaakt van een dictatuur in Duitsland, Oostenrijk en Spanje (in dit laatste na een korte heropflakkering van een revolutionaire bloei van de democratie). Al deze democratische dagdromers, die het Italiaanse fascisme als een voorbijgaand fenomeen trachtten af te doen, een fenomeen dat tot uiting gekomen was in een achterlijk land t.g.v. de naoorlogse psychose, werden onwrikbaar tegengesproken door de feiten zelf. Slechts in Frankrijk en Groot-Brittannië is het parlementaire regime overeind gebleven (voor wat de grootste Europese staten betreft). Na alles wat zich in Europa afgespeeld heeft moet men wel uitermate blind zijn om te veronderstellen dat deze beide landen veilig zouden zijn voor burgeroorlog of dictatuur. Op 6 februari 1934 kreeg het Franse parlementarisme zijn eerste waarschuwing.
Buitengewoon oppervlakkig is de idee dat de relatief sterke standvastigheid, die het Engelse politieke systeem kent, voort zou vloeien uit zijn eeuwenoude parlementaire tradities en dat men hieruit automatisch nieuwe krachten zou kunnen putten om het systeem in stand te houden. Nergens kan men vaststellen dat oude dingen zich per se steviger gaan wortelen wanneer er totaal verschillende omstandigheden ontstaan. Het Britse parlementarisme kan zich beter handhaven in vergelijking tot de anderen en dit temidden van de crisis van het kapitalistisch systeem, enkel en alleen door het feit dat de Britse heersende klasse t.g.v. hun vroegere wereldoverheersing een onmetelijk vermogen heeft kunnen oppotten, waardoor ze het nu langer kunnen uithouden. Met andere woorden: het Britse parlementarisme wordt niet in stand gehouden door de mystieke kracht van de traditie, maar door de vette winsten die dateren vanuit de glorierijkere tijden.
Het lot van de Britse democratie hangt niet af van zijn innerlijke karakteristieken, maar van het lot dat het Britse en wereldkapitalisme zal beschoren zijn. Wanneer de medicijnmannen en wonderdokters die aan de macht zijn er echt zouden in slagen om het middeltje te brouwen dat het kapitalisme zijn jeugd kan teruggeven, dan lijdt het geen twijfel dat ook de burgerlijke democratie een tweede jeugd zou kennen. Maar we zien weinig redenen om te geloven in deze wonderdokters. De laatste imperialistische oorlog was de uitdrukking en tegelijk het bewijs van de historische waarheid dat het kapitalisme zijn progressieve opdracht tot de laatste druppel uitgedronken heeft. De ontwikkeling van de productiekrachten komt tot stilstand t.g.v. twee reactionaire barrières: de private eigendom van de productiemiddelen en de grenzen van de nationale staat. Tenzij deze twee belemmeringen opgeheven worden, d.w.z. zolang de productiemiddelen niet in handen komen van de gemeenschap en zolang er geen georganiseerde en geplande economie ingevoerd wordt, die zich stapsgewijze kan ontplooien, hangt de economische en culturele ineenstorting van de mensheid in de lucht. Verdere dictatoriale ‘kortsluitingen’ zouden in dat geval ook Groot-Brittannië aantasten: de overwinningen van het fascisme zijn niet meer dan de uitdrukking van het verval van het kapitalistisch systeem. M.a.w., zelfs in Engeland is het niet onmogelijk dat een blaaskaak van het type Mosley, erin zou slagen dezelfde historische rol te spelen als zijn grote meesters Hitler en Mussolini.
Van de fabiërs kunnen we vernemen dat Engelse proletariaat het volledig in eigen handen heeft, om via het parlement aan de macht te komen en er binnen de wettelijkheid, stap voor stap, alle nodige veranderingen aan te brengen die zich in het kapitalistisch systeem opdringen. Op die manier zou het mogelijk zijn alle revolutionaire terrorisme onnodig te maken en tegelijk zou men op die manier de grond onder de voeten wegnemen van de contrarevolutionaire avonturiers. Dergelijk beeld lijkt op het eerste zicht overtuigend, vooral wanneer men het ziet in het licht van de jongste successen van de Labour Party bij de verkiezingen; toch blijft deze schijnbare degelijkheid van de argumentatie niet langer overeind dan bij een eerste en oppervlakkig aanschouwen ervan. Ik vrees dat de hoop van de fabiërs van bij het begin naast de kwestie is. Ik zeg ‘ik vrees”, want een vreedzame parlementaire verandering naar een nieuwe sociale structuur zou ongetwijfeld grote voordelen bieden op gebied van de cultuur en bijgevolg op gebied van het socialisme. Meer in de politiek kan geen erger vergissing begaan worden dan de hoop die men heeft te gaan verwarren met de mogelijkheden die er bestaan. In de eerste plaats betekent een overwinning van Labour niet dat de macht plots in haar handen terecht gekomen is. Anderzijds moeten we er rekening mee houden dat de LP de volledige macht niet wenst, daar haar leiders er zeker niet happig op zijn om de burgerij te gaan onteigenen. Henderson, Lensbury en de anderen hebben niets weg van grote sociale hervormers. Het zijn in de grond niets anders dan kleinburgerlijke conservatieven. We hebben de sociaaldemocratie aan de macht gezien in Duitsland en Oostenrijk. In G.B. hebben we tweemaal een zogenaamde Labourregering aan het werk gezien. Er bestaan vandaag sociaaldemocratische regeringen in Denemarken en Zweden. In al deze gevallen hebben de kapitalisten daar zeker niet van wakker gelegen. Een Henderson-Lensbury-regering zou niet in het minst verschillen van een Herman Muller-regering in Duitsland. Ze zou het niet durven, om ook maar een vinger uit te steken naar de eigendom van de burgerij.
Ze zou verplicht zijn armzalige hervormingen door te voeren, die de arbeiders niet tevreden zouden stellen en die de burgerij zouden irriteren. Verreikende hervormingen kunnen niet doorgevoerd worden onder voorwaarden van een ineenstortend kapitalisme. De arbeiders zouden er steeds sterker gaan op drukken dat ze beslissende maatregelen verwachten van de regering. In de parlementaire sectie van de Labour Party zou de linkervleugel afsplitsen terwijl de rechtervleugel meer en meer neiging zou vertonen om te capituleren naar het voorbeeld van MacDonald. Als tegengewicht tegen de Labourregering en als veiligheidsmaatregel tegen elke revolutionaire actie vanwege de massa’s, zou het kapitaal energiek de fascisten gaan steunen (dit is trouwens reeds begonnen). Het koningshuis, het House of Lords, de burgerlijke minderheid in het House of Commons, de bureaucratie, de strijdkrachten, de banken, de trusts en de belangrijkste persorganen zouden volledig samensmelten in één contrarevolutionair front, dat bereid zou zijn de bendes van Mosley of één of andere fanaat te steunen, die op hun beurt de strijdkrachten zouden helpen. Anders gezegd, de “parlementaire manier” zou onvermijdelijk en fataal leiden naar de burgeroorlog, die, tenzij de Labourleiding er klaar voor is, voor de werkende klasse een langdurig, verbitterd en ongunstig karakter zou hebben.
De conclusie die we hieruit kunnen trekken is dat het Britse proletariaat niet moet rekenen op enige historische privileges. Het zal voor de macht moeten vechten langs revolutionaire weg. Eens het de macht in handen heeft, zal het ze moeten veilig stellen door de weerstand van de uitbuiters te breken. Een andere weg om tot socialisme te komen bestaat er niet. De problemen van het revolutionair geweld of “terrorisme” hebben bijgevolg ook hun belang voor Engeland. Daarom verklaarde ik mij akkoord met deze nieuwe Engelse uitgave.
De Duitse KP, die er zo imposant uitzag, bleek wanneer zij met het echte gevaar bedreigd werd een grote nul te zijn. Blinde gehoorzaamheid is niet iets waarop een revolutionair fier kan zijn. De Komintern werd beroofd van alle leven, persoonlijkheid en zielskracht. Wanneer de KP in G.B., ondanks de gunstige tijdsomstandigheden die er bestaan, nog steeds een organisatie is van weinig betekenis, zonder invloed, autoriteit of enige toekomst, dan ligt de verantwoordelijkheid daarvoor geheel op de schouders van de Sovjetbureaucratie.
Alles in Engeland tendeert naar een revolutionaire explosie. Wanneer een uitweg gevonden wordt voor de economische crisis (en dit is mogelijk en zelfs onvermijdelijk), dan zal dit slechts van tijdelijke aard zijn. Nieuwe, ontredderende crises zouden snel volgen. Er is geen heil te vinden in het kapitalisme. Het aan de macht komen van Labour zal slechts één progressieve kant hebben; nl. dat (oneindig veel duidelijker dan voordien) het failliet, de methodes en de illusies van het parlementarisme in een periode waarin de ruïnes van het kapitalistisch systeem verder afbrokkelen, aan het licht zal gebracht worden. De absolute noodzakelijkheid van een revolutionaire partij zal zich scherpomlijnd aftekenen. Het Britse proletariaat zal een periode ingaan van politieke crisis en theoretische kritiek. De problemen van het revolutionaire geweld zullen in alle kracht gesteld worden. De ideeën van Marx en Lenin zullen voor het eerst een echt massaal gehoor vinden. Wanneer dit het geval wordt, dan is het niet onmogelijk dat ook dit boek van enig nut zal blijken.
10 januari 1935
Dit boek werd geschreven in 1920, in een wagon van een militaire trein, in een periode dat de vlammen van de burgeroorlog hoog oplaaiden. Deze omstandigheden moet de lezer in gedachten houden, wanneer hij niet enkel het basismateriaal, maar ook de hardvochtige toespelingen en de algemene grondtoon waarin het geschreven is, ten volle wil begrijpen. Om reden van de continuïteit heb ik de titel van het boek behouden, die het droeg bij de eerste Engelse uitgave: “De verdediging van het terrorisme”. Maar er moet dadelijk bij gezegd worden dat deze titel, die er door de oorspronkelijke uitgevers en niet door de auteur aan gegeven is, te breed is en aanleiding kan geven tot misverstanden. We hebben helemaal niet de bedoeling het “terrorisme” als dusdanig te verdedigen. Methodes van dwang en terroriseren, tot en met het fysieke uitschakelen van tegenstanders, hebben tot nog toe (en ze blijven dit doen) oneindig veel meer de zaak van de reactie (vertegenwoordigd door de voorbijgestreefde heersende klasse) gediend, dan wel deze van de historische vooruitgang (vertegenwoordigd in de werkende klasse). De jury van moralisten, die ‘terrorisme’ van welke aard ook verwerpen, hebben zich in werkelijkheid gefixeerd op de revolutionaire daden van de vervolgden, die pogen zichzelf te bevrijden. Het beste voorbeeld hiervan is Mr. Ramsey MacDonnald. In de naam van de eeuwige principes van moraliteit en godsdienst, sloofde hij zich uit in het veroordelen van geweld. Maar toen de ineenstorting van het kapitalistisch systeem en het verscherpen van de klassenstrijd ook in G.B. de revolutionaire machtsstrijd van het proletariaat tot een brandende actualiteit bracht, verliet MacDonnald het Labourkamp voor dat van de conservatieven, met hetzelfde gemak als iemand die in een trein van een rokers naar een niet-rokerwagon stapt. Vandaag houdt de vrome tegenstander van terrorisme met de hulp van het georganiseerde geweld een ‘vreedzaam’ systeem van werkloosheid, koloniale verdrukking, gewapende organen en de voorbereiding van verse oorlogen, in stand.
De ongeneeslijke fabiërs blijven inderdaad zeggen dat, wanneer de argumenten die in dit boek vervat zijn, gelden voor achterlijk Rusland, dit niet betekent dat ze van toepassing zouden zijn voor de ontwikkelde landen en meer bepaald voor oude democratieën zoals Groot-Brittannië. Deze troostende illusie kan misschien een schijn van waarheid gehad hebben, tot ± 15 jaar geleden. Maar sindsdien is een groot deel van de Europese staten terechtgekomen onder de knoet van fascistische en militaire dictaturen. De dag nadat ik uit Rusland verbannen was, op 25 februari 1929, schreef ik (en dat niet voor de eerste keer) i.v.m. de Europese situatie: “De democratische instellingen hebben bewezen dat ze de druk niet kunnen weerstaan die uitgaat van de huidige tegenstellingen die zich voordoen op nationaal en internationaal vlak. Naar analogie met de wetenschap van de elektriciteit, kan de democratie gedefinieerd worden als een systeem van veiligheidsmeters en zekeringen, die een beschutting moeten bieden tegen té sterke stromen van nationale en sociale spanningen. Er komt in de geschiedenis van de mensheid nauwelijks een periode voor die zo vol tegenstellingen was, dan de onze. De overbelasting die op het Europese ‘stroomcircuit’ drukt, openbaart zich meer en meer. Onder de té hoge spanningen van de klasse- en internationale opposities beginnen de zekeringen door te slaan. Dit is de essentie van de kortsluiting die we kennen onder de vorm van dictaturen. De eerste die het begeven zijn natuurlijk de zwakste schakelaars. De interne en wereldopposities worden echter niet kleiner, maar nemen in intensiteit toe. Het is nauwelijks een troost dat deze processen zich slechts afspelen op de rand van de kapitalistische wereld. Jicht begint bij de grote teen, maar eens begonnen stoot het door tot het hart.”
In de zes jaar die verlopen zijn sinds deze woorden geschreven werden, hebben we de ‘kortsluiting’ meegemaakt van een dictatuur in Duitsland, Oostenrijk en Spanje (in dit laatste na een korte heropflakkering van een revolutionaire bloei van de democratie). Al deze democratische dagdromers, die het Italiaanse fascisme als een voorbijgaand fenomeen trachtten af te doen, een fenomeen dat tot uiting gekomen was in een achterlijk land t.g.v. de naoorlogse psychose, werden onwrikbaar tegengesproken door de feiten zelf. Slechts in Frankrijk en Groot-Brittannië is het parlementaire regime overeind gebleven (voor wat de grootste Europese staten betreft). Na alles wat zich in Europa afgespeeld heeft moet men wel uitermate blind zijn om te veronderstellen dat deze beide landen veilig zouden zijn voor burgeroorlog of dictatuur. Op 6 februari 1934 kreeg het Franse parlementarisme zijn eerste waarschuwing.
Buitengewoon oppervlakkig is de idee dat de relatief sterke standvastigheid, die het Engelse politieke systeem kent, voort zou vloeien uit zijn eeuwenoude parlementaire tradities en dat men hieruit automatisch nieuwe krachten zou kunnen putten om het systeem in stand te houden. Nergens kan men vaststellen dat oude dingen zich per se steviger gaan wortelen wanneer er totaal verschillende omstandigheden ontstaan. Het Britse parlementarisme kan zich beter handhaven in vergelijking tot de anderen en dit temidden van de crisis van het kapitalistisch systeem, enkel en alleen door het feit dat de Britse heersende klasse t.g.v. hun vroegere wereldoverheersing een onmetelijk vermogen heeft kunnen oppotten, waardoor ze het nu langer kunnen uithouden. Met andere woorden: het Britse parlementarisme wordt niet in stand gehouden door de mystieke kracht van de traditie, maar door de vette winsten die dateren vanuit de glorierijkere tijden.
Het lot van de Britse democratie hangt niet af van zijn innerlijke karakteristieken, maar van het lot dat het Britse en wereldkapitalisme zal beschoren zijn. Wanneer de medicijnmannen en wonderdokters die aan de macht zijn er echt zouden in slagen om het middeltje te brouwen dat het kapitalisme zijn jeugd kan teruggeven, dan lijdt het geen twijfel dat ook de burgerlijke democratie een tweede jeugd zou kennen. Maar we zien weinig redenen om te geloven in deze wonderdokters. De laatste imperialistische oorlog was de uitdrukking en tegelijk het bewijs van de historische waarheid dat het kapitalisme zijn progressieve opdracht tot de laatste druppel uitgedronken heeft. De ontwikkeling van de productiekrachten komt tot stilstand t.g.v. twee reactionaire barrières: de private eigendom van de productiemiddelen en de grenzen van de nationale staat. Tenzij deze twee belemmeringen opgeheven worden, d.w.z. zolang de productiemiddelen niet in handen komen van de gemeenschap en zolang er geen georganiseerde en geplande economie ingevoerd wordt, die zich stapsgewijze kan ontplooien, hangt de economische en culturele ineenstorting van de mensheid in de lucht. Verdere dictatoriale ‘kortsluitingen’ zouden in dat geval ook Groot-Brittannië aantasten: de overwinningen van het fascisme zijn niet meer dan de uitdrukking van het verval van het kapitalistisch systeem. M.a.w., zelfs in Engeland is het niet onmogelijk dat een blaaskaak van het type Mosley, erin zou slagen dezelfde historische rol te spelen als zijn grote meesters Hitler en Mussolini.
Van de fabiërs kunnen we vernemen dat Engelse proletariaat het volledig in eigen handen heeft, om via het parlement aan de macht te komen en er binnen de wettelijkheid, stap voor stap, alle nodige veranderingen aan te brengen die zich in het kapitalistisch systeem opdringen. Op die manier zou het mogelijk zijn alle revolutionaire terrorisme onnodig te maken en tegelijk zou men op die manier de grond onder de voeten wegnemen van de contrarevolutionaire avonturiers. Dergelijk beeld lijkt op het eerste zicht overtuigend, vooral wanneer men het ziet in het licht van de jongste successen van de Labour Party bij de verkiezingen; toch blijft deze schijnbare degelijkheid van de argumentatie niet langer overeind dan bij een eerste en oppervlakkig aanschouwen ervan. Ik vrees dat de hoop van de fabiërs van bij het begin naast de kwestie is. Ik zeg ‘ik vrees”, want een vreedzame parlementaire verandering naar een nieuwe sociale structuur zou ongetwijfeld grote voordelen bieden op gebied van de cultuur en bijgevolg op gebied van het socialisme. Meer in de politiek kan geen erger vergissing begaan worden dan de hoop die men heeft te gaan verwarren met de mogelijkheden die er bestaan. In de eerste plaats betekent een overwinning van Labour niet dat de macht plots in haar handen terecht gekomen is. Anderzijds moeten we er rekening mee houden dat de LP de volledige macht niet wenst, daar haar leiders er zeker niet happig op zijn om de burgerij te gaan onteigenen. Henderson, Lensbury en de anderen hebben niets weg van grote sociale hervormers. Het zijn in de grond niets anders dan kleinburgerlijke conservatieven. We hebben de sociaaldemocratie aan de macht gezien in Duitsland en Oostenrijk. In G.B. hebben we tweemaal een zogenaamde Labourregering aan het werk gezien. Er bestaan vandaag sociaaldemocratische regeringen in Denemarken en Zweden. In al deze gevallen hebben de kapitalisten daar zeker niet van wakker gelegen. Een Henderson-Lensbury-regering zou niet in het minst verschillen van een Herman Muller-regering in Duitsland. Ze zou het niet durven, om ook maar een vinger uit te steken naar de eigendom van de burgerij.
Ze zou verplicht zijn armzalige hervormingen door te voeren, die de arbeiders niet tevreden zouden stellen en die de burgerij zouden irriteren. Verreikende hervormingen kunnen niet doorgevoerd worden onder voorwaarden van een ineenstortend kapitalisme. De arbeiders zouden er steeds sterker gaan op drukken dat ze beslissende maatregelen verwachten van de regering. In de parlementaire sectie van de Labour Party zou de linkervleugel afsplitsen terwijl de rechtervleugel meer en meer neiging zou vertonen om te capituleren naar het voorbeeld van MacDonald. Als tegengewicht tegen de Labourregering en als veiligheidsmaatregel tegen elke revolutionaire actie vanwege de massa’s, zou het kapitaal energiek de fascisten gaan steunen (dit is trouwens reeds begonnen). Het koningshuis, het House of Lords, de burgerlijke minderheid in het House of Commons, de bureaucratie, de strijdkrachten, de banken, de trusts en de belangrijkste persorganen zouden volledig samensmelten in één contrarevolutionair front, dat bereid zou zijn de bendes van Mosley of één of andere fanaat te steunen, die op hun beurt de strijdkrachten zouden helpen. Anders gezegd, de “parlementaire manier” zou onvermijdelijk en fataal leiden naar de burgeroorlog, die, tenzij de Labourleiding er klaar voor is, voor de werkende klasse een langdurig, verbitterd en ongunstig karakter zou hebben.
De conclusie die we hieruit kunnen trekken is dat het Britse proletariaat niet moet rekenen op enige historische privileges. Het zal voor de macht moeten vechten langs revolutionaire weg. Eens het de macht in handen heeft, zal het ze moeten veilig stellen door de weerstand van de uitbuiters te breken. Een andere weg om tot socialisme te komen bestaat er niet. De problemen van het revolutionair geweld of “terrorisme” hebben bijgevolg ook hun belang voor Engeland. Daarom verklaarde ik mij akkoord met deze nieuwe Engelse uitgave.
De Duitse KP, die er zo imposant uitzag, bleek wanneer zij met het echte gevaar bedreigd werd een grote nul te zijn. Blinde gehoorzaamheid is niet iets waarop een revolutionair fier kan zijn. De Komintern werd beroofd van alle leven, persoonlijkheid en zielskracht. Wanneer de KP in G.B., ondanks de gunstige tijdsomstandigheden die er bestaan, nog steeds een organisatie is van weinig betekenis, zonder invloed, autoriteit of enige toekomst, dan ligt de verantwoordelijkheid daarvoor geheel op de schouders van de Sovjetbureaucratie.
Alles in Engeland tendeert naar een revolutionaire explosie. Wanneer een uitweg gevonden wordt voor de economische crisis (en dit is mogelijk en zelfs onvermijdelijk), dan zal dit slechts van tijdelijke aard zijn. Nieuwe, ontredderende crises zouden snel volgen. Er is geen heil te vinden in het kapitalisme. Het aan de macht komen van Labour zal slechts één progressieve kant hebben; nl. dat (oneindig veel duidelijker dan voordien) het failliet, de methodes en de illusies van het parlementarisme in een periode waarin de ruïnes van het kapitalistisch systeem verder afbrokkelen, aan het licht zal gebracht worden. De absolute noodzakelijkheid van een revolutionaire partij zal zich scherpomlijnd aftekenen. Het Britse proletariaat zal een periode ingaan van politieke crisis en theoretische kritiek. De problemen van het revolutionaire geweld zullen in alle kracht gesteld worden. De ideeën van Marx en Lenin zullen voor het eerst een echt massaal gehoor vinden. Wanneer dit het geval wordt, dan is het niet onmogelijk dat ook dit boek van enig nut zal blijken.
10 januari 1935