Geschreven: 1933-1936
Bron:
Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 22. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands – De tekst moet oorspronkelijk een brochure geweest zijn, met op de kaft ‘Entrisme’ en het nummer 103, verdere gegevens ontbreken
Deze versie: spelling - de noten in de tekst ontbreken, zodoende is er enkel de opsomming aan het einde van de tekst
Transcriptie/HTML en contact:
Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive


Samenvatting van de discussie
(6 augustus 1934)

Onze groep heeft me aangeduid om enkele algemene besluiten te formuleren waartoe we gekomen zijn op basis van de informatie die we vonden in het interne bulletin van de Liga en andere documenten.

1. Zijn de verschilpunten van principiële of van zuiver praktische aard? In deze algemene vorm gesteld is de vraag slecht geformuleerd. De verschilpunten zijn er gekomen over zeer belangrijke tactische kwesties, maar ze kennen een oorsprong die verschilt van kameraad tot kameraad en ze vloeien ook voort uit verschillende ideologische vertrekpunten. Zo kunnen we stellen dat de verschilpunten met kameraad George (voor zover we van enige verschilpunten met hem kunnen spreken), een zuiver praktisch karakter hebben. Zij kunnen aan de realiteit getoetst worden in de loop van de toepassing van de gemeenschappelijk gevoerde politiek. De verschilpunten met kameraad N.P. zijn van een principiële aard.

2. Kameraad George heeft ongetwijfeld het beste materiaal geproduceerd omtrent het betreffende vraagstuk. Negentienden van zijn brief bevat praktische feiten, die een duidelijk licht werpen op de reële situatie en verliest zich niet in algemene formules die met hetzelfde gemak van toepassing zouden kunnen zijn op Parijs als op Honolulu. Nochtans menen we dat kd. George een zware vergissing begaat in de evaluatie van de dynamiek en het ritme van de ontwikkelingen. Op basis van een zeer interessante analyse van de Nationale Raad van de SFIO toont kd. George aan dat de meerderheid van de SP nog steeds reformistisch is en dat een linkse stroming van enige betekenis enkel kan gevonden worden in Parijs en in de Jongsocialisten en dat het daarom ‘voorbarig’ zou zijn tot de SFIO toe te treden. In antwoord op deze beweringen zouden we zeer kort het volgende willen zeggen:

a) Parijs en de JS maken vandaag het stadium door dat de provincies morgen zullen bereiken. Wij moeten ons niet laten afleiden door de situatie in de provincies.

b) Parijs en de JS zijn gebieden die voor de Liga van beslissend belanq zijn.

c) Het partijapparaat in de provincies (net zoals in Parijs) is het oude, t.t.z. reformistische. Nochtans werd het gedwongen te breken met Renaudel en een eenheidsfront te aanvaarden met Moskou. Net het opportunistische karakter van het SFIO-apparaat geeft de beste aanwijzing voor de kracht van de druk van benedenuit, d.w.z. van de dynamiek van de ontwikkelingen. Kd. George is volkomen juist wanneer hij stelt dat het 6 dagen te vroeg toetreden tot de SP zou betekenen dat de situatie mishandeld wordt. We moeten hier nog slechts aan toevoegen dat 6 dagen te laat toetreden de zaak helemaal zou ruïneren.

3. Hoe kunnen we het juiste moment van toetreden en de juiste vorm ervan met zekerheid bepalen? Door politiek verkenningswerk uit te oefenen en door actieve banden met de socialisten aan te gaan en met hen politieke kwesties door te discussiëren, enz.

Een jaar is verlopen sinds we begonnen te argumenteren ten gunste van een nieuwe partij. Eén van de principiële taken die de Liga toegewezen werden was het werken binnen de SFIO. Wat heeft men bereikt in Parijs gedurende dit jaar? Niets! De kameraden die belast waren met dit werk hebben geen banden gelegd, hebben geen voorbereidingen aangevat. Integendeel; zij hebben zich verzet tegen de vorming van een fractie in de SFIO. Dit feit is van overwegend belang bij het begrijpen van de huidige moeilijkheden die er rijzen, inbegrepen de moeilijkheden in de discussies. Deze kameraden die zich gedurende het voorbije jaar verzet hebben tegen het gaan werken in de SFIO, zijn nu nog steeds gekant tegen ons entrisme in dit orgaan. In beide gevallen blijven ze maar doordraven over de “onafhankelijkheid”. Het schijnt dat zij er alle belang aan hechten onafhankelijk te blijven van de arbeidende klasse, de massa’s, de veranderde toestanden en van de ganse bestaande situatie. Deze kameraden doen het huidige werk tussen de massa’s af met een ellenlange monoloog. Hun devies is de politiek van de minste weerstand toe te passen. Het is de politiek van de zelfgenoegzaamheid, vermomd in principes die van een ingebeelde onaantastbaarheid zijn.

We moeten van deze kameraden vragen dat zij ons het verslag geven van het werk dat hen toevertrouwd werd te doen binnen de SFIO, en de resultaten die ze daarbij geboekt hebben. De Liga en deze kameraden zelf hebben in de eerste plaats nood aan zulk een verslag en niet aan enkele algemene slogans! Het rapport zal aan het licht brengen dat deze kameraden bevreesd zijn voor de massa’s, bevreesd voor de moeilijkheden die verbonden zijn bij het werken tussen de massa’s en dat zij hun ‘zuiverheid’ wensen te bewaren door een soort ‘zelfisolatie’. Dat is de reden waarom ze onveranderd gebleven zijn in alle veranderingen die er in de politieke situatie opgetreden zijn. De psychologie van het passieve afwachten, dat er bestond voordat het voorstel geformuleerd werd om tot de SFIO toe te treden, werkte als een enorme rem op de ontwikkeling van de Liga, vooral gedurende het voorbije jaar. Deze psychologie staat nu in schril contrast met de ganse situatie die in dit land heerst en die zich onder de arbeiders manifesteert.

4. De enige verschilpunten die ernstig, belangrijk en vruchtbaar zijn, zijn deze die voortspruiten uit belangrijke gebeurtenissen die zich voltrekken in de geest van de massa’s. Dezelfde kenmerken van abstract propagandisme, dat tot op zekere hoogte onvermijdelijk was in de beginperiode van de evolutie van de Liga (voor de Duitse ramp) en dat het werk gedurende het voorbije jaar meer en meer ging beheersen, heeft nu definitief een reactionair karakter aangenomen en gezien de huidige draaikolk van gebeurtenissen dreigt het de Liga volkomen te ruïneren. Het is net op dit moment dat we een meedogenloze strijd moeten aanvatten tegen abstract, passief propagandisme, tegen de politiek van het afwachten. In dit opzicht zijn de verschilpunten die er gerezen zijn ongetwijfeld verschillen omtrent principes, hoewel de voortrekkers van de conservatieve tendens nog niet de nodige conclusies getrokken hebben uit hun houding.

5. De kameraden P.N., Bauer en enkele anderen die denken als zij, hullen zich in de mantel van de “ideologische onaantastbaarheid”. Hoe dan ook, in de dagelijkse politieke realiteit, liggen de zaken enigszins anders. Laten we het standpunt even onder ogen nemen dat La Vérité innam na 6 februari. Gedurende deze ganse periode paste de Vérité zich aan aan de politiek van de SFIO. In zijn brief zegt kd. P.N.: “Verschillende brieven die naar het Centraal Comité verstuurd zijn wijzen erop dat we gedurende de voorbije zes maanden een semi-socialistische lijn gevolgd hebben. Hier volgt het besluit: wanneer we ons dan zo goed ‘aangepast’ hebben aan de SFIO, waarom zouden we er dan niet bij aansluiten?”

Dit getuigt van een merkwaardige logica!

Deze verklaring is de kern van de ganse probleemstelling die uit de brief van kd. P.N. naar voor treedt. Ze werpt een briljant licht op het reële proces van de voorbereiding van de verschilpunten die ontstaan zijn en onthult bovendien de niet-dialectische, abstracte en journalistieke denkwijze die kameraad P.N. erop na houdt. Het is juist dat we in een ganse serie brieven en in gesprekken, de kameraden P.N. en anderen beschuldigd hebben van het feit dat ze de verschilpunten met de SFIO in het vage lieten, dat ze de fundamentele problemen van de revolutionaire strijd niet openlijk stelden, dat ze het risico namen de Liga te laten verworden tot een linkervleugel van de SFIO. We blijven ook vandaag nog deze kritiek maken. Leden die aandringen op formele onafhankelijkheid hebben steeds de neiging te capituleren voor de werkelijkheid, wanneer die hen op de tenen trapt. De aanpassing van de Liga aan de SFIO vond zijn symbolische uitdrukking in de recente gebeurtenissen: in antwoord op het voorstel tot de SP toe te treden, besliste het Politiek Bureau stappen te ondernemen om een vertegenwoordiger van de Liga op het spreekgestoelte te krijgen, bij de volgende zitting van de Nationale Raad van de SFIO!! Ook hier weer gaven ze toe aan hun neigingen om zuiver diplomatieke onderhandelingen aan te gaan met de leiders van de SP, zonder dat er ernstige pogingen ondernomen werden de massabasis van deze partij te penetreren! (We spreken hier niet over de JS; in deze groepering werd wel degelijk werk geleverd). We moeten zorgvuldig overwegen waaruit de onaantastbaarheid van Kd. P.N. en de anderen bestaan heeft gedurende de voorbije zes maanden:
a) het naar buiten toe verzwakken van de kritiek op de SFIO
b) diplomatieke manoeuvres met de SP-bureaucraten
c) weigering zich als fractie te organiseren binnen de SFIO (misschien omdat ze hun goede verstandhouding met de bureaucraten niet in het gedrang wensten te brengen?)

Hier hebben we voor ons het échte beeld van de verhoudingen die de ‘onaantastbaren’ gedurende het voorbije half jaar hadden met de SFIO, een half jaar dat zo overladen was van belangrijke gebeurtenissen. Geen algemene slogan, geen wijds gebaar kan de politieke betekenis van dit beeld veranderen. Het weerspiegelt de leegheid van een onaantastbaarheid die partijdig is en slechts in woorden wordt in stand gehouden. Tot het moment dat kd. P.N. en de anderen tot het inzicht gekomen zijn van wat ze uitgehaald hebben gedurende de voorbije 6 maanden, zullen ze er niet in slagen zichzelf verder te ontwikkelen.

6. Toen we de nefaste politiek van het Anglo-Russische Comité analyseerden, zegden de stalinisten: “Jullie zijn gekant tegen het werken in de vakbonden!”. We repliceerden hierop: “We zijn gekant tegen avonturistische gemanoeuvreer met de leiders ervan, maar we zijn voor het werken tussen de leden van de bonden”. Het is juist dat dit betrekking had op de vakbonden. Maar we kunnen een gelijkaardig voorbeeld aanhalen m.b.t. de partijen. We veroordeelden Walcher voor zijn medeplichtigheid in de Tranmael-zaak. Tezelfdertijd zegden we: “Wanneer een revolutionaire groep kan toetreden tot de NAP, met de bedoeling er revolutionair werk te leveren onder de massa’s, dan is dat niet meer dan haar plicht en zal ze onze volle steun genieten”.
We hebben kritiek geleverd op het passieve aanpassen aan de officiële SFIO-politiek. Tezelfdertijd ijverden we voor de actieve deelname aan het interne leven van deze partij, door er als fractie in te werken. In principe verschilt dit niet van het doen aan entrisme binnen de SFIO. Kd. P.N. ziet hier achter een contradictie. Is dat niet absurd? Onder invloed van zijn verkeerd standpunt, begint hij ook de bal mis te slaan wat betreft perspectieven en verwachtingen die we ons kunnen stellen. Dit is meestal het geval in dergelijke omstandigheden.

7. Het zou natuurlijk verkeerd zijn om de ‘zachte’ diplomatieke lijn die La Vérité gedurende het voorbije half jaar gevolgd heeft, af te doen als het gevolg van de vergissingen van slechts een paar kameraden. De waarheid is dat de Liga plots onder invloed gekomen is van de druk die er uitging van de grote gebeurtenissen. Dezelfde druk die teweegbracht dat de bureaucratie van zowel de reformisten als de stalinisten de slogan van het eenheidsfront gingen aanvaarden, bracht bij de Liga leiding de vrees tot stand (bewust of onbewust), dat de Liga uitgerangeerd zou worden in de stroomversnelling van de gebeurtenissen. Daar er de mogelijkheid bestond via de SFIO de kans te krijgen het blad te verkopen en aan het woord te komen, dacht de leiding de oorzaak van hun vrees weg te nemen door zich aan dit orgaan aan te passen. De plaats die de Liga innam in de arbeidersbeweging wordt duidelijker aangetoond door de politiek die La Vérité voerde, dan door alle gezwets over een ingebeelde onaantastbaarheid. Ongelukkig genoeg bezweek de leiding onbewust voor de gebeurtenissen en paste zij zich slechts op de tast aan aan de nieuwe situatie. Deze ervaringen hebben op onweerlegbare en krachtige wijze de fictie van organisatorische onafhankelijkheid en verbale onaantastbaarheid aangetoond, in het gezicht van grote historische ontwikkelingen en op het ogenblik dat de massa’s in beroering verkeren.

8. Wanneer we kd. P.N. en de anderen bekritiseerden voor hun capitulatie t.o.v. de SFIO, gingen we helemaal niet van het standpunt uit dat we te maken hadden met onverzoenbare tegenstellingen, die tot een splitsing zouden kunnen leiden. Maar de situatie wordt veel gevaarlijker, nu kd. P.N., die meer en meer overtuigd geraakt van het falen van de passieve aanpassingspolitiek van buiten uit, ten allen prijze wenst te voorkomen dat er revolutionair werk van binnenuit geleverd wordt. De vooruit snellende situatie staat ons geen verder uitstel toe en in het bijzonder niet aan kd. P.N. We moeten onze vroegere positie resoluut en openlijk beoordelen en beginnen met een nieuwe weg in te slaan.

9. Het is waar dat kd. P.N. en anderen nu edelmoedig voorstellen om een fractie te creëren binnen de SFIO, terwijl ze tegelijk hun eigen ‘onafhankelijkheid’ willen bewaren. Dit betekent dat alles zou blijven zoals het was. Dit betekent het verder zwemmen in het zand i.p.v. zich in het water te wagen. Er bestaat slechts één manier om “onaantastbaren” te redden voor de revolutie: ze tot hun nek in het water duwen.

10. Bestaat er geen gevaar dat onze kameraden, die zich toen ze buiten de SFIO stonden, zich aan deze partij aanpasten, hun politieke identiteit volledig zullen verliezen wanneer ze binnen de SFIO gaan werken? Deze vraag is te algemeen gesteld.

Het is onvermijdelijk dat er een zekere afscheiding zal komen: een aantal kameraden zullen onze ideeën laten vallen. De ervaring uit andere landen leert ons dat deze kameraden die het snelst geneigd zijn hun identiteit te verliezen in het opportunistische milieu, net dezen zijn die gisteren nog de ultimatisten waren. Maar het zou verkeerd zijn deze vrees naar de Liga in zijn geheel te transponeren, of zelfs maar te denken dat het onze opponenten van vandaag zullen zijn die het eerst zullen afvallen.

Naar onze mening vindt het feit dat de vraag omtrent het entrisme in de SFIO opgeworpen wordt, in de eerste plaats zijn oorsprong in het feit dat de Liga beschikt over ernstige en gevormde kaders. Wanneer we te lang wachten met de gist aan de deeg toe te voegen, dan lopen we het gevaar dat het zaakje zuur wordt. Dit is het gevaar dat de Liga bedreigt. Kijk maar naar de bordigisten mat hun fameuse “Bilan” (balans), hetwelk beter “Balans: Zero” zou heten.

11. Sommige kameraden hebben de neiging het zwaartepunt te verleggen naar het probleem van de ‘verklaring’. Sommige van hen hebben een verklaring in gedachten die het toetreden tot de SFIO onmogelijk zou maken. Anderen zien in deze verklaring een talisman die ons zou kunnen behoeden voor alle gevaren. In werkelijkheid nochtans is de rol van zulke verklaring van bescheiden belang. Ze moet aantonen:
a) dat we onze ideeën niet opgeven;
b) dat we bereid zijn te leren uit de gemeenschappelijke ervaringen;
c) dat we voor onze ideeën zullen strijden, op basis van de partijdemocratie;
d) dat we ons aan de partijdiscipline zullen onderwerpen. De verklaring moet opgesteld worden op een manier dat we er het vertrouwen van de socialistische arbeiders mee kunnen winnen en dat het voor de SFIO-bureaucratie (die uiteraard reactionair van aard is), vrijwel onmogelijk wordt de toetreding te weigeren.

12. Buiten het feit dat we trouw zullen blijven aan onze ideologie bestaat de enige waarborg om de bolsjewiek-leninisten van de ontbinding te redden, eens dat ze binnen de SFIO getreden zijn, in een grotere samenhang, de vorming van een fractie orgaan, de aanpassing aan de nieuwe werkomstandigheden en de internationale controle. Hierop moeten we al onze inspanningen richten.

13. Internationale controle moet in zijn brede betekenis opgevat worden, zonder het te beperken tot het Internationaal Secretariaat. De uitwisseling van publicaties en informatie en de internationale discussies moeten niet verzwakt, maar juist aangewakkerd worden. Kd. P.N. stelt het voor alsof de Internationale Organisatie de Liga belet heeft (!) te werken, vooral dan gedurende de periode waarin het actieprogramma uitgewerkt werd. Hij kan hiervoor niet het minste bewijsstuk aanvoeren. We stellen kd. P.N. voor dat hij alle briefwisseling publiceert (in het Internationaal Bulletin indien nodig), die gewijd werd aan de uitwerking van het actieprogramma en de algemene politiek van de Liga gedurende de voorbije maanden. Wanneer dit werkstuk in goed vertrouwen zou uitgevoerd worden, zou daaruit het enorme belang blijken van onze internationale organisatie en zou het kunnen bijdragen om de volstrekt onjuiste en bevooroordeelde beweringen van kd. P.N. te weerleggen.

14. Het gebrek aan een ideologisch standpunt, van de zijde van de kameraden Bauer en P.N., komt op een pijnlijke manier aan het licht i.v.m. het probleem van de ILP. Bauer was voorstander van het toetreden van de Britse sectie tot de ILP. P.N. kantte zich ertegen, maar na zijn bezoek aan G.B. erkende hij de onjuistheid van zijn oorspronkelijk standpunt. Het is ronduit belachelijk enig ideologisch verschil te willen zoeken tussen de ILP en de SFIO, vooral waar het de Parijse afdeling en de Jongsocialisten betreft. Noch P.N., noch Bauer hebben getracht de verschilpunten uit te leggen die ze op ideologisch gebied zien tussen G.B. en Frankrijk.

Hoe dan ook, de ervaringen die op kleine schaal opgedaan zijn in G.B., zijn zeer leerrijk. De ‘meerderheid’ die zich vastgeklampt heeft aan de ‘organisatorische onafhankelijkheid’, verkeert in een staat van voortdurende interne strijd en verdeeldheid. Sommige leiders hebben de organisatie zelfs verlaten.

De minderheid van haar kant, die wel tot de ILP toetrad, heeft haar interne solidariteit weten te behouden, heeft haar banden met de internationale bolsjewiek-leninisten verstevigd, heeft nuttig gebruik gemaakt van de publicaties van de Amerikaanse Liga en heeft binnen de ILP een ganse reeks successen op haar naam weten te schrijven. Dit is een uitermate leerrijk voorbeeld.

15. Bepaalde kameraden dreigen met een splitsing, wanneer de nieuwe lijn zou aangenomen worden. Dit geeft blijk van een gebrek aan ernst m.b.t. de dingen die ons verenigen, de ideeën tactieken die we gemeen hebben en die uitgewerkt werden gedurende 11 jaar collectieve werkzaamheid op internationaal vlak. We moeten uiteraard alles in het werk stellen om een splitsing te voorkomen, zelfs wanneer het maar zou gaan om een beperkt groepje dat zich terugtrekt. Elke kameraad is voor ons van waardevol belang, daar hij een officier zou moeten worden in het proletarische leger. Het zou echter belachelijk en ons onwaardig zijn wanneer we ons zouden laten afschrikken door een splitsingsdreigement. We hebben meer van dergelijke afsplitsingen gezien en we hebben bemerkt wat ervan terecht gekomen is. Hoezeer onze kameraden ons ook aan het hart liggen, de verdere ontwikkeling van onze organisatie is ons nog onmetelijk dierbaarder. Hier is geen plaats voor enige aarzeling!