Geschreven: 1933-1936
Bron: Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 22. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands – De tekst moet oorspronkelijk een brochure geweest zijn, met op de kaft ‘Entrisme’ en het nummer 103, verdere gegevens ontbreken
Deze versie: spelling - de noten in de tekst ontbreken, zodoende is er enkel de opsomming aan het einde van de tekst
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Bron: Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 22. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands – De tekst moet oorspronkelijk een brochure geweest zijn, met op de kaft ‘Entrisme’ en het nummer 103, verdere gegevens ontbreken
Deze versie: spelling - de noten in de tekst ontbreken, zodoende is er enkel de opsomming aan het einde van de tekst
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Essentiele vraagstukken waarmee de ILP te maken heeft
(5 januari 1934)
Ik ben ervan op de hoogte gesteld dat de ILP gedurende de voorbije periode sterk verzwakt is. Er wordt gezegd dat het ledenaantal gedaald is tot 4000. Het is zeer goed mogelijk dat dit rapport overdreven is. Maar de algemene tendens lijkt me niet zo onwaarschijnlijk. Ik zou zelfs meer zeggen: de leiding van de ILP draagt een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor het verzwakken van de organisatie, die zulke gunstige werkomstandigheden gekend heeft en (naar ik hoop) nog kent.
Wanneer een arbeider zich begint te interesseren voor het politieke leven en hij een massapartij zoekt, zonder ogenblikkelijk het onderscheid te maken tussen programma’s of tactieken, dan zal hij natuurlijk tot de Labour Party toetreden. Een arbeider die ontgoocheld geworden is in het reformisme en walgt van het verraad van de politieke en vakbondsleiders trad toe (en hij doet dat nog steeds) tot de KP, de partij die zich verschuilt achter het imago van de Sovjet-Unie. Maar waar vinden we de arbeider die toetreedt tot de ILP? En welke politieke motieven zijn het die hem hiertoe bewegen?
Het lijkt me dat de leiders van de ILP zelf nog geen antwoord gevonden hebben op deze essentiële vraagstukken. De werkende massa’s zijn niet geïnteresseerd in lichte schakeringen en detailkwesties, maar in grote gebeurtenissen, duidelijke slogans en vaandels die voor zichzelf spreken. Hoe is het gesteld met het vaandel van de ILP? Niet zo best! Ik moet dit zeggen tot mijn grote spijt. Maar het moet gezegd morden. Het verzwijgen of ophemelen van de naakte feiten zou uw partij een slechte dienst bewijzen.
De ILP brak weg van de LP. Dat was juist. Wanneer de ILP de revolutionaire hefboom wou worden, dan was het onmogelijk het handvat van deze hefboom in handen te laten van door en door opportunistische en burgerlijke carrièristen. Volledige en onvoorwaardelijke politieke en organisatorische onafhankelijkheid is de noodzakelijke voorwaarde voor het succes van de revolutionaire partij.
Maar terwijl men van de LP afsplitste, was het tegelijk nodig zich onmiddellijk naar deze partij toe te wenden. Dit diende natuurlijk niet te gebeuren mat de bedoeling de LP-leiders te vleien, hen zuurzoete complimentjes toe te werpen of zelfs om hun misdadige acties te gaan sussen. Enkel karakterloze centristen die van zichzelf denken dat ze revolutionair zijn zoeken hun weg naar de massa’s door zich aan te passen aan de leiders, door hen in de bloemetjes te zetten en ze te overtuigen van de vriendschap en loyauteit die ze voor hen voelen. Dergelijke politiek leidt tot het moeras van het opportunisme. De weg naar de reformistische massa’s bestaat er niet in om bij hun leiders in het gevlei te komen. Men moet juist tégen deze leiders ingaan, want opportunistische voormannen vertegenwoordigen niét de massa’s, maar enkel hun politieke ongeschooldheid, hun slaafse instincten en tenslotte hun verwarring! De massa’s hebben anderzijds ook progressieve, revolutionaire trekken die een politieke uitdrukkingsvorm proberen te vinden.
De toekomst van de massa’s wordt het duidelijkst in contrast gesteld t.o.v. hun verleden, in de strijd rond programma’s, partijen, slogans en leiders. Instinctief zijn de werkende massa’s steeds voor ‘éénheid’. Maar benevens dit klasseninstinct bestaat er ook de politieke wijsheid. De harde ervaring leert de arbeiders dat de breuk met het reformisme de voorwaarde is voor echte eenheid, die enkel te bereiken is in de revolutionaire actie. Door de politieke ervaring leert men sneller en beter, grondiger, logischer en meer overtuigend. De revolutionaire partij geeft een interpretatie van deze ervaringen van de massa’s.
De leninistische methode van het éénheidsfront en de politiek van de verbroedering met de reformisten zijn met elkaar onverenigbaar. Tijdelijke, praktische overeenkomsten met massaorganisaties, zelfs wanneer die door de ergste reformisten geleid worden, zijn onvermijdelijk en zelfs verplicht voor de revolutionaire partij. Blijvende politieke verbonden met de reformistische leiders, zonder een duidelijk programma voorop te stellen, zonder concrete taakverdeling en zonder de deelname van de massa’s zelf in militante acties; dit alles getuigt van één van de ergste vormen van opportunisme. Het Anglo-Russische Comité zal voor altijd het klassieke voorbeeld blijven van dergelijke demoraliserende verbonden.
Eén van de belangrijkste bruggen naar de massa’s kunnen geslagen worden via de vakbonden, waar men moet werken zonder zich aan te passen aan de leiders, en waar men integendeel een onverzoenlijke strijd tegen hen moet voeren, openlijk of onder dekking, al naargelang de omstandigheden het noodzaken. Naast de vakbonden bestaan er nog talrijke andere manieren om deel te nemen aan het dagelijkse leven van de massa’s: in de fabriek, op de straat, in sportorganisaties, zelfs in de kerk of in het café. Men moet daarbij steeds de grootste aandacht hebben voor wat de arbeiders voelen en denken, nagaan hoe ze reageren op gebeurtenissen, zien wat ze verwachten en waarop ze hopen en het hoe en waarom leren inzien van het feit dat ze zich laten misleiden door de reformistische leiders. Het observeren van de massa’s (hetgeen voortdurend en diepgaand moet gebeuren) betekent niet dat de revolutionaire partij zichzelf passief aan hen moet aanpassen of erachteraan hobbelen. Integendeel: deze partij moet haar ideeën stellen tegenover hun vooroordelen.
Het zou bijvoorbeeld zeer verkeerd zijn het parlementaire werk te minimaliseren of te negeren. Het spreekt vanzelf dat het parlement er niet kan in slagen het kapitalisme om te vormen in socialisme, noch de levensomstandigheden van de werkende klasse verbeteren wanneer het kapitalisme zijn rottingsproces ingetreden is. Maar het revolutionaire werk in het parlement en in verband met het parlement kan (vooral in G.B.) van groot nut zijn bij het openen van de ogen van de massa’s. Eén enkele moedige uitlating van McGovern verfriste en verkwikte de arbeiders die misleid en afgestompt waren door de vrome, hypocriete toespraken van Lansbury, Henderson en andere gentlemen van “Hare Majesteits Oppositie” van lakeien.
Ongelukkig genoeg keerde de ILP zich nadat ze een onafhankelijke partij geworden was, niét naar de vakbonden, niét naar de LP, niet naar de massa’s in het algemeen, maar naar de KP, die gedurende een reeks jaren haar bureaucratische verdwazing en haar onvermogen de klasse te benaderen had bewezen. Wanneer de Duitse catastrofe deze mensen niets geleerd heeft, dan zouden de deuren van de Komintern dezelfde inscriptie moeten dragen als de poorten tot de hel: “Lasciate ogne speranza” (laat alle hoop achter).
De ILP heeft zich nog lange niet bevrijd van alle gebreken van de linkervleugel van de Labour Party: (theoretische vaagheid, gebrek aan een duidelijk programma, revolutionaire methoden en een sterke organisatie), en haast zich toch reeds om verantwoordelijkheden op te nemen, waarin de Komintern op een onvergeeflijke manier gefaald is. Het is duidelijk dat in deze omstandigheden de revolutionaire arbeiders niet te bewegen zullen zijn tot de ILP toe te treden. Het omgekeerde zal gebeuren: de ILP zal vele leden verliezen die ongeduldig geworden zijn. Wanneer semi-reformisten, kleinburgerlijke radicalen en pacifisten de ILP verlaten, dan zullen we hen met genoegen uitwuiven: de zaken liggen echter anders wanneer arbeiders de partij verlaten.
Ik ben ervan op de hoogte gesteld dat de ILP gedurende de voorbije periode sterk verzwakt is. Er wordt gezegd dat het ledenaantal gedaald is tot 4000. Het is zeer goed mogelijk dat dit rapport overdreven is. Maar de algemene tendens lijkt me niet zo onwaarschijnlijk. Ik zou zelfs meer zeggen: de leiding van de ILP draagt een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor het verzwakken van de organisatie, die zulke gunstige werkomstandigheden gekend heeft en (naar ik hoop) nog kent.
Wanneer een arbeider zich begint te interesseren voor het politieke leven en hij een massapartij zoekt, zonder ogenblikkelijk het onderscheid te maken tussen programma’s of tactieken, dan zal hij natuurlijk tot de Labour Party toetreden. Een arbeider die ontgoocheld geworden is in het reformisme en walgt van het verraad van de politieke en vakbondsleiders trad toe (en hij doet dat nog steeds) tot de KP, de partij die zich verschuilt achter het imago van de Sovjet-Unie. Maar waar vinden we de arbeider die toetreedt tot de ILP? En welke politieke motieven zijn het die hem hiertoe bewegen?
Het lijkt me dat de leiders van de ILP zelf nog geen antwoord gevonden hebben op deze essentiële vraagstukken. De werkende massa’s zijn niet geïnteresseerd in lichte schakeringen en detailkwesties, maar in grote gebeurtenissen, duidelijke slogans en vaandels die voor zichzelf spreken. Hoe is het gesteld met het vaandel van de ILP? Niet zo best! Ik moet dit zeggen tot mijn grote spijt. Maar het moet gezegd morden. Het verzwijgen of ophemelen van de naakte feiten zou uw partij een slechte dienst bewijzen.
De ILP brak weg van de LP. Dat was juist. Wanneer de ILP de revolutionaire hefboom wou worden, dan was het onmogelijk het handvat van deze hefboom in handen te laten van door en door opportunistische en burgerlijke carrièristen. Volledige en onvoorwaardelijke politieke en organisatorische onafhankelijkheid is de noodzakelijke voorwaarde voor het succes van de revolutionaire partij.
Maar terwijl men van de LP afsplitste, was het tegelijk nodig zich onmiddellijk naar deze partij toe te wenden. Dit diende natuurlijk niet te gebeuren mat de bedoeling de LP-leiders te vleien, hen zuurzoete complimentjes toe te werpen of zelfs om hun misdadige acties te gaan sussen. Enkel karakterloze centristen die van zichzelf denken dat ze revolutionair zijn zoeken hun weg naar de massa’s door zich aan te passen aan de leiders, door hen in de bloemetjes te zetten en ze te overtuigen van de vriendschap en loyauteit die ze voor hen voelen. Dergelijke politiek leidt tot het moeras van het opportunisme. De weg naar de reformistische massa’s bestaat er niet in om bij hun leiders in het gevlei te komen. Men moet juist tégen deze leiders ingaan, want opportunistische voormannen vertegenwoordigen niét de massa’s, maar enkel hun politieke ongeschooldheid, hun slaafse instincten en tenslotte hun verwarring! De massa’s hebben anderzijds ook progressieve, revolutionaire trekken die een politieke uitdrukkingsvorm proberen te vinden.
De toekomst van de massa’s wordt het duidelijkst in contrast gesteld t.o.v. hun verleden, in de strijd rond programma’s, partijen, slogans en leiders. Instinctief zijn de werkende massa’s steeds voor ‘éénheid’. Maar benevens dit klasseninstinct bestaat er ook de politieke wijsheid. De harde ervaring leert de arbeiders dat de breuk met het reformisme de voorwaarde is voor echte eenheid, die enkel te bereiken is in de revolutionaire actie. Door de politieke ervaring leert men sneller en beter, grondiger, logischer en meer overtuigend. De revolutionaire partij geeft een interpretatie van deze ervaringen van de massa’s.
De leninistische methode van het éénheidsfront en de politiek van de verbroedering met de reformisten zijn met elkaar onverenigbaar. Tijdelijke, praktische overeenkomsten met massaorganisaties, zelfs wanneer die door de ergste reformisten geleid worden, zijn onvermijdelijk en zelfs verplicht voor de revolutionaire partij. Blijvende politieke verbonden met de reformistische leiders, zonder een duidelijk programma voorop te stellen, zonder concrete taakverdeling en zonder de deelname van de massa’s zelf in militante acties; dit alles getuigt van één van de ergste vormen van opportunisme. Het Anglo-Russische Comité zal voor altijd het klassieke voorbeeld blijven van dergelijke demoraliserende verbonden.
Eén van de belangrijkste bruggen naar de massa’s kunnen geslagen worden via de vakbonden, waar men moet werken zonder zich aan te passen aan de leiders, en waar men integendeel een onverzoenlijke strijd tegen hen moet voeren, openlijk of onder dekking, al naargelang de omstandigheden het noodzaken. Naast de vakbonden bestaan er nog talrijke andere manieren om deel te nemen aan het dagelijkse leven van de massa’s: in de fabriek, op de straat, in sportorganisaties, zelfs in de kerk of in het café. Men moet daarbij steeds de grootste aandacht hebben voor wat de arbeiders voelen en denken, nagaan hoe ze reageren op gebeurtenissen, zien wat ze verwachten en waarop ze hopen en het hoe en waarom leren inzien van het feit dat ze zich laten misleiden door de reformistische leiders. Het observeren van de massa’s (hetgeen voortdurend en diepgaand moet gebeuren) betekent niet dat de revolutionaire partij zichzelf passief aan hen moet aanpassen of erachteraan hobbelen. Integendeel: deze partij moet haar ideeën stellen tegenover hun vooroordelen.
Het zou bijvoorbeeld zeer verkeerd zijn het parlementaire werk te minimaliseren of te negeren. Het spreekt vanzelf dat het parlement er niet kan in slagen het kapitalisme om te vormen in socialisme, noch de levensomstandigheden van de werkende klasse verbeteren wanneer het kapitalisme zijn rottingsproces ingetreden is. Maar het revolutionaire werk in het parlement en in verband met het parlement kan (vooral in G.B.) van groot nut zijn bij het openen van de ogen van de massa’s. Eén enkele moedige uitlating van McGovern verfriste en verkwikte de arbeiders die misleid en afgestompt waren door de vrome, hypocriete toespraken van Lansbury, Henderson en andere gentlemen van “Hare Majesteits Oppositie” van lakeien.
Ongelukkig genoeg keerde de ILP zich nadat ze een onafhankelijke partij geworden was, niét naar de vakbonden, niét naar de LP, niet naar de massa’s in het algemeen, maar naar de KP, die gedurende een reeks jaren haar bureaucratische verdwazing en haar onvermogen de klasse te benaderen had bewezen. Wanneer de Duitse catastrofe deze mensen niets geleerd heeft, dan zouden de deuren van de Komintern dezelfde inscriptie moeten dragen als de poorten tot de hel: “Lasciate ogne speranza” (laat alle hoop achter).
De ILP heeft zich nog lange niet bevrijd van alle gebreken van de linkervleugel van de Labour Party: (theoretische vaagheid, gebrek aan een duidelijk programma, revolutionaire methoden en een sterke organisatie), en haast zich toch reeds om verantwoordelijkheden op te nemen, waarin de Komintern op een onvergeeflijke manier gefaald is. Het is duidelijk dat in deze omstandigheden de revolutionaire arbeiders niet te bewegen zullen zijn tot de ILP toe te treden. Het omgekeerde zal gebeuren: de ILP zal vele leden verliezen die ongeduldig geworden zijn. Wanneer semi-reformisten, kleinburgerlijke radicalen en pacifisten de ILP verlaten, dan zullen we hen met genoegen uitwuiven: de zaken liggen echter anders wanneer arbeiders de partij verlaten.