Geschreven: 1933-1936
Bron:
Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 22. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands – De tekst moet oorspronkelijk een brochure geweest zijn, met op de kaft ‘Entrisme’ en het nummer 103, verdere gegevens ontbreken
Deze versie: spelling - de noten in de tekst ontbreken, zodoende is er enkel de opsomming aan het einde van de tekst
Transcriptie/HTML en contact:
Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive


De evolutie van de SFIO
(10 juli 1934)

De crisis in de democratische staat van de burgerij heeft ook als gevolg dat de sociaaldemocratische partij door een crisis getroffen wordt. Deze samenhang moet benadrukt en grondig geanalyseerd worden. De overgang van de burgerij, van een parlementair naar een bonapartistisch regime, sluit niet uit dat de sociaaldemocratie kan deelnemen aan de combinatie van krachten waarop de regering van het kapitaal gesteund is. Zoals geweten is zocht Schleicher in zijn tijd ook naar de steun van de vakbonden. D.m.v. Merquet gaat Doumergue natuurlijk onderhandelingen aan met Jouhaix en Co. Langeron, met de witte staf in de hand, wijst de weg aan voor zowel de fascisten als de socialisten. Het valt te betwijfelen in hoeverre de SP ervan op de hoogte is, hoezeer het bonapartistische evenwicht afhankelijk is van het bestaan van deze partij; maar toch, waar het de leiding van de SP betreft, steunt deze zich juist op dit evenwicht. De leiding spreekt zich uit tegen revolutionaire strijdmethodes, ze brandmerkt het marxisme als ‘blanquisme’, ze predikt de haast tolstoiaanse doctrine van “het kwaad niet met geweld te bestrijden”. Deze politiek is echter even onstabiel als het bonapartistische regime zelf, d.m.v. hetwelk de burgerij poogt om meer radicale oplossingen af te wentelen.

De essentie van de democratische staat bestaat erin, zoals men weet, dat iedereen het recht heeft te zeggen en te schrijven wat hij maar wil en dat in alle belangrijke kwesties de grootkapitalisten het laatste woord behouden. Dit resultaat wordt verzekerd door een complex systeem van gedeeltelijke toegevingen (“hervormingen”), illusies, corruptie, verraad en intimidatie. Wanneer de economische haalbaarheid van ‘hervormingen’ uitgeput is, dan houdt de sociaaldemocratie op “de belangrijkste politieke steunpilaar van de burgerij” te zijn. Dit betekent dat het kapitaal niet langer op deze gematigde ‘publieke opinie’ kan rekenen; wat het dan nodig heeft, is een (bonapartistisch) staatsapparaat, dat losgekoppeld is van de massa’s.

Tegelijk met deze verschuiving in het staatssysteem, traden er ook belangrijke verschuivingen op in de sociaaldemocratie. In de loop van de aftakeling van het tijdperk van het reformisme (in het bijzonder gedurende de naoorlogse periode), is het interne regime van de sociaaldemocratie een loutere reproductie van het regime van de bourgeoisdemocratie: elk lid kan zeggen en denken wat hij wil, maar de beslissingen worden door de top genomen, die nauwe banden onderhoudt met het staatsapparaat. Naarmate de burgerij de mogelijkheid verliest om te heersen dank zij de steun van de publieke opinie van de uitgebuiten, verliezen de sociaaldemocratische leiders. Ook de mogelijkheid om de publieke opinie in hun eigen partij naar hun hand te zetten. Maar in tegenstelling tot de leiders van de bureaucratie, hebben de leiders van de sociaaldemocratie geen dwingend apparaat tot hun beschikking. Naarmate het parlementaire werk meer en meer uitgeput geraakt, wordt de interne democratie binnen de SP meer en meer een feit.

De crisis van de democratische staat en de crisis van de sociaaldemocratie verlopen parallel maar in tegengestelde richtingen. Terwijl de staat opmarcheert naar het fascisme, langs het stadium van het bonapartistische regime, komt de SP steeds dichter bij een strijd op leven en dood met dit fascisme, waarbij de partij eerst een periode doormaakt van een ‘loyale’, quasi parlementaire oppositie t.o.v. de bonapartistische staat. Het begrijpen van deze dialectiek van de wederzijdse relaties tussen de bourgeoisstaat en de sociaaldemocratie, is een onmisbaar onderdeel van een revolutionaire politiek. Dit is dan ook net het vraagstuk waarop de stalinisten hun nek gebroken hebben.

In het bonapartistische stadium waarin Frankrijk zich nu bevindt, trachten de leiders van de SP met al hun kracht binnen de limieten van de (bonapartistische!) wettelijkheid te blijven. Ze geven de hoop niet op dat economische conjunctuuropleving en andere gunstige omstandigheden zouden leiden tot het herstel van de parlementaire staat. Op dezelfde manier dwingt de ervaring van Duitsland, Italië en Oostenrijk hen, het andere, minder aantrekkelijke perspectief, waartegen ze zich graag zouden verzekeren, onder ogen te nemen. Ze vrezen geïsoleerd te geraken van de massa’s, die de strijd tegen het fascisme eisen en die leiding verwachten. Op die manier geraakt het socialistische apparaat verstrikt in enorme tegenstrijdigheden. Enerzijds zet het de strijd voort tegen de radicalisatie van de massa’s door het prediken van het tolstojaanse “geweld brengt slechts geweld voort”, “tegen ijzeren kettingen en revolvers moeten we ... wijsheid en voorzichtigheid stellen”; anderzijds spreekt het over de dictatuur van het proletariaat, de algemene staking, en slaat het de weg in naar het eenheidsfront. Ook in het apparaat zelf treedt een gelaagdheid op: de ‘linksen’ verwerven er een steeds grotere populariteit. De officiële leiders worden gedwongen hun rechterarm te laten rusten op de schouders van Doumergue (‘wettelijkheid’ ten allen prijze) en hun linkerarm op die van M. Pivert, Just enz. Maar de objectieve situatie is niet van aard zulk een evenwicht lang in stand te houden. We herhalen: de huidige toestand van de SP is nog onstabieler dan het preventief-bonapartistische staatsregime!

Er kan geen verwoestender vergissing begaan worden in de politiek, dan er opvattingen op na te houden die verband houden met de toestand en de krachtsverhoudingen die in het verleden bestonden. Wanneer de leiding van de SP haar taak bv. beperkt tot het eisen van parlementsverkiezingen, dan heeft zij de wereld van de politieke werkelijkheid verlaten en is zij terecht gekomen in die van de schaduwen. Termen als “parlement”, “regering” en “verkiezingen”, hebben ginds het capituleren van het parlementaire regime op 6 februari, hun inhoud die ze voordien hadden verloren. Verkiezingen op zichzelf kunnen niet tot gevolg hebben dat het zwaartepunt van de macht verschoven wordt. Hiertoe is het nu nodig dat de massa’s zich naar links bewegen; dit is de enige kracht die nog in staat is de verschuiving naar rechts die zich op 6 februari gemanifesteerd heeft, ongedaan te maken.

Maar exact dezelfde vergissing wordt begaan door deze kameraden die bij hun beoordeling van de SP, zich laten leiden door denkbeelden die op de toestand van gisteren van toepassing waren: “reformisme”, “Tweede Internationale”, “steun aan de burgerij”; zijn deze definities correct? Ja en nee. Meer niet, dan wel. De oude definitie van sociaaldemocratie stemt nog minder met de feiten overeen, dan het definiëren van de huidige staat als een “parlementair-democratische republiek”. Het zou foutief zijn te stellen dat er niets meer overgebleven is van het parlementarisme in Frankrijk. Onder bepaalde omstandigheden is het mogelijk dat het parlementarisme terug tijdelijk de overhand haalt, net zoals iemand die een doodsstrijd doormaakt ook af en toe terug tot het bewustzijn komt. Hoe dan ook, de algemene evolutie beweegt zich weg van het parlementarisme. Wanneer we een definitie zouden moeten geven van de huidige Franse staat, die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert, dan zouden we zeggen: “een preventief-bonapartistisch regime, gehuld in de lompen van de parlementaire staat en balancerend tussen het nog-niet-voldoende-sterke kamp van het fascisme en het onvoldoende bewuste kamp van de arbeidersstaat”. Enkel dergelijke dialectische definitie kan de basis leggen voor een correcte politiek.

Maar dezelfde dialectische wetten gelden ook voor de SP, dewelke, zoals reeds gezegd is, de omgekeerd evenredige evolutie doormaakt i.v.m. het lot van de democratische staat. Hier moet bijgevoegd worden dat, dankzij de ervaringen die in Duitsland en Oostenrijk opgedaan zijn, de evolutie van de SP tot op zekere hoogte sneller verloopt dan die van de staat. Op die manier kon het voorkomen dat de split met de Neos de staatsgreep van 6 februari met verscheidene maanden voorafging. Het zou te sterk uitgedrukt zijn, wanneer men zou stellen dat er niets overeind gebleven is van het oude reformisme en patriottisme sinds de splitsing. Maar het is even verkeerd over de SP te spreken, als was ze nog de sociaaldemocratische partij van weleer. De onmogelijkheid om een eenvoudige, gewone en vaststaande definitie te geven van de SP, is het gevolg van het feit dat we hier staan voor een centristische partij, die t.g.v. de lang uitgerokken evolutie die dit land doormaakt, nog steeds de extreme polen en contradicties in zich verenigt. Men moet al een hopeloze scholasticus zijn om niet te zien wat zich in werkelijkheid afspeelt onder het etiket “De Tweede Internationale”. Enkel een dialectische definitie van de SP, dit is in de eerste plaats een concrete evaluatie van de interne dynamiek van deze partij, kan de bolsjewiek-leninisten in staat stellen een correct perspectief te stellen en een actieve (en geen afwachtende) houding te gaan aannemen.

Zonder een revolutionaire impuls van de massa’s, die het machtscentrum scherp naar links zou kunnen verleggen; of beter: voordat zich zulke impuls manifesteert, zal de staatsmacht zich openlijker en brutaler moeten gaan identificeren met het leger en het politieapparaat, moet het fascisme in kracht toenemen en zich nog onbeschaamder gaan gedragen. Hieraan gelijklopend zullen de tegenstellingen binnen de SP zich duidelijker gaan aftekenen, t.t.z. de ongerijmdheid van het tolstojaanse “het kwaad wordt niet bestreden door geweld”, met de revolutionaire taken die de acties van de klassenvijand de arbeidersbeweging opdringen. Simultaan met de bonapartisering van de staat en het naderbij komen van het fascistisch gevaar, zal de meerderheid van de partij onvermijdelijk geradicaliseerd worden. De interne differentiatie, die verre van voltooid is, zal een nieuw stadium intreden.

De bolsjewiek-leninisten hebben de taak dit alles in de openbaarheid te brengen. Ze hebben zich steeds afgezet tegen de theorie van het ‘sociaalfascisme’, en de laaghartige discussiemethodes, die een theoretisch onvermogen koppelen aan vuile leugens en laster. Ze hebben geen enkele drijfveer om zwart wit te noemen en omgekeerd. We propageerden de idee van het eenheidsfront op het ogenblik dat zowel de reformisten als de stalinisten zich hiertegen verzetten. Dit is de reden waarom wij ons ook vandaag kritisch opstellen en onze realiteitzin behouden t.o.v. een abstracte benadering van “eenheid”.

In de geschiedenis van de arbeidersbeweging is de precieze afbakening vaak de noodzakelijke voorwaarde geweest tot eenheid. Teneinde de eerste stappen te kunnen zetten tot het verenigd front, was de SP verplicht weg te splitsen van de Neos. Dit mag men even niet uit het oog verliezen. De SP kan slechts een leidende rol spelen in een echt massaal en strijdbaar eenheidsfront, wanneer ze zichzelf de taak gesteld heeft haar rangen te zuiveren van de rechtervleugel en gemaskerde tegenstanders van de revolutionaire strijd. Het gaat hier niet om een abstract principe, maar om een ijzeren noodzaak die voort vloeit uit de logica van de strijd. Het probleem dat zich stelt is er niet één dat door een diplomatische woordkeuze kan opgelost worden, zoals Zyromsky dit gelooft. Hij tracht dit te doen in zijn wanhopige pogingen een formule te vinden die het sociaalpatriottisme kan doen rijmen met het internationalisme. Zoals de loop van de klassenstrijd zich nu voortbeweegt, zal het onvermijdelijk tot een genadeloze uitbarsting komen, waarin alle verwarring, misleiding en huichelarij vergruisd zal worden. De arbeiders in het algemeen en de socialisten in het bijzonder hebben nood aan de waarheid, de naakte waarheid en niets dan de waarheid.

De bolsjewiek-leninisten geven een correcte formulering van de toestand en van wat er moet gebeuren. Maar zij bleken niet bij machte, dit moet openlijk toegegeven worden, de taak te vervullen die zij zich een jaar geleden gesteld hadden, nl. dieper door te dringen in de rangen van de socialistische arbeiders en dit niet met de bedoeling hen ‘de les te spellen’, van bovenuit en zoals geleerde specialisten in strategie, maar teneinde er schouder aan schouder met de meest ontwikkelde arbeiders te leren, op basis van de huidige ervaringen van de massa’s, die zullen maken dat het Franse proletariaat de weg naar de revolutionaire strijd zal vinden.

Teneinde de taken die voor ons liggen beter te belichten, is het bovendien nodig dat de evolutie van de zogeheten ‘KP’ op de voet gevolgd wordt.