Voetnoten

[1] De gewelddadige campagne van de fascisten begon in Bologna op 21 november 1920. Toen de sociaal-democratische gemeenteraadsleden, die de verkiezingen hadden gewonnen, het stadhuis betraden om de nieuwe burgemeester voor te stellen, werden ze onthaald op geweerschoten waarbij 10 mensen werden vermoord en 100 gewond raakten. De fascisten organiseerden daarna "strafexpedities" in de regio waar de "Rode Liga's" sterk stonden. "Actiegroepen" van de zwarthemden trokken met wagens die hen bezorgd waren door grootgrondbezitters rond en namen dorpen over terwijl ze het vuur openden, sloegen en vermoordden linkse boeren en vakbondsleiders, secretariaten van radicale organisaties werden verwoest en de bevolking geterroriseerd. Versterkt door hun gemakkelijke successen, gingen de fascisten over tot grootschalige aanvallen in de grote steden.
[2] Het verdrag van Versailles werd Duitsland opgelegd na Wereldoorlog I. Het meest gehate onderdeel ervan waren de eindeloze betalingen aan de geallieerde troepen in de vorm van “herstellingen” voor oorlogsschade en verliezen. De “crisis” waarnaar in bovenstaande paragraaf wordt verwezen, was de economische depressie die in heel de kapitalistische wereld heerste na de crash op Wall Street in 1929.
[3] Veldmaarschalk Paul von Hindenburg (1847-1934), Junker generaal die bekendheid verwierf in Wereldoorlog I en nadien president van de Weimar-republiek werd. In 1932 steunden de sociaal-democraten hem voor zijn herverkiezing als “mindere kwaad” tegenover de nazi’s. Hij benoemde Hitler als kanselier in januari 1933.
[4] Filippo Turati (1857-1937), leidinggevende reformistische theoreticus van de Italiaanse Socialistische Partij.
[5] Antonio Gramsci (1891-1937): een stichter van de Italiaanse Communistische Partij, gevangengezet door Mussolini in 1926, stierf elf jaar later in de gevangenis. Hij stuurde vanuit de gevangenis in naam van het politiek comité van de Italiaanse partij een protestbrief naar aanleiding van Stalins campagne tegen de Linkse Oppositie. Taglatti, die in Moskou was als Italiaanse vertegenwoordiger bij de Comintern, onderschepte de brief. Tijdens het bewind van Stalin, werd iedere verwijzing naar Gramsci opzettelijk vermeden. In de periode van zogenaamde “destalinisatie” werd Gramsci “herontdekt” door de Italiaanse Communistische Partij en omarmd als held en martelaar. Sindsdien zijn veel van zijn werken verspreid, waaronder vooral zijn gevangenisnota’s.
[6] Dimitri Manuilski (1883-1952): Verantwoordelijke van de Comintern van 1929 tot 1934; zijn verwijdering ging samen met de bocht van ultra-gauchisme naar het opportunisme van de Volksfrontperiode. Hij verscheen later op het diplomatieke toneel, als afgevaardigde bij de Verenigde Naties.
[7] Ercoli: pseudoniem in de Comintern van Palmiro Togliatti (1893-1964). Leidde de Communistische Partij nadat Gramsci in de gevangenis zat. Hij overleefde alle bochten van de Comintern, maar na Stalins dood bekritiseerde hij de heerschappij van Stalin en een aantal van de overblijvende elementen van het stalinisme in de Sovjetunie en de internationale communistische beweging.
[8] De verkiezingen van september 1930
[9] “Youngs knoop”: een verwijzing naar het plan-Young. Genoemd naar Owen D. Young, een Amerikaanse industrieel die verantwoordelijk was voor de Duitse herstellingen in de jaren 1920. In de zomer van 1929 was hij voorzitter van een conferentie die zijn plan aannam in de plaats van het onsuccesvolle plan-Dawes, gericht op het “begeleiden” van de Duitse betalingen als gevolg van het Verdrag van Versailles na WO I.
[10] “de strategie van Zinoviev en Stalin”: Gregory Y. Zinoviev (1883-1936), voorzitter van de Comintern bij haar oprichting in 1919 tot hij van die positie werd verwijderd door Stalin in 1926. Na de dood van leden vormden Zinoviev en Kamenev een blok met Stalin, de Troika, tegen Trotski en domineerden ze de sovjetpartij. In de periode van de heerschappij van Zinoviev en Stalin werd de Comintern gekenmerkt door een opportunistische lijn die leidde tot een reeks nederlagen en gemiste kansen, waarbij vooral het afblazen van de Duitse revolutie in 1923 een belangrijk gegeven is. Nadat hij brak met Stalin, verenigde Zinoviev zich met de trotskistische Linkse Oppositie. Maar nadat de Verenigde Oppositie in 1928 uit de partij werd gezet, capituleerde Zinoviev voor Stalin. Hij werd opnieuw toegelaten tot de partij, en opnieuw uitgesloten in 1932. Nadat hij afstand deed van alle kritiek, werd hij opnieuw toegelaten als lid, maar in 1934 werd hij uitgesloten en gevangengenomen. Hij “bekende” op de eerste Moskouse processen en werd in 1936 geëxecuteerd.
[11] Functionarissen van de Comintern en de Communistische Partij
[12] De Comintern.
[13] “Het IJzeren Front”: Een blok tussen verschillende grote vakbonden en burgerlijke “republikeinse” groepen met weinig aanhangers of prestige onder de massa’s. Het werd opgezet door de sociaal-democraten tegen het einde van 1931. Binnen de vakbonden werden gevechtseenheden opgezet die ‘IJzeren Vuisten’ genoemd werden, en ook sportgroepen van de arbeidersbeweging werden in het IJzeren Front betrokken. Op de eerste betogingen en meetings, waarop duizenden arbeiders de vuisten balden, weerklonk de eis “Vrijheid” en werd gezworen om de democratie te verdedigen. De massa’s in de Sociaal-Democratische Partij en de vakbonden geloofden echt dat deze organisatie gebruikt zou worden om Hitler te stoppen. Dat was niet het geval.
[14] Heinrich Bruening was kanselier van 1930 tot 1932. De normale parlementaire regering in Duitsland duurde tot maart 1930. Daarna volgden een reeks bonapartistische regimes — Bruening, von Papen, von Schleicher, e.a., kanseliers die niet doorheen de parlementaire procedures regeerden maar via “nooddecreten”. Die figuren stelden zichzelf voor als politieke redders die het land door de crisis zouden helpen, en dus boven klasse en partij stonden. Ze waren niet afhankelijk van de oude burgerlijke partijen maar op hun leiding over de politie, het leger en de regeringsbureaucratie. Terwijl ze voorhielden de natie te redden van de gevaren — zowel ter linkerzijde (socialisten en communisten) als ter rechterzijde (fascisten), sloegen ze hard toe tegen de linkerzijde aangezien hun voornaamste belang erin bestond het kapitalisme te redden.
[15] De belangrijkste sociaal-democratische krant
[16] Linkerzijde van kleinburgerlijke krachten in de Franse revolutie, in haar meest revolutionaire fase geleid door Robespierre
[17] 4 augustus 1914: ineenstorting van de Tweede Internationale. De afgevaardigden van de Duitse Sociaal-Democratische Partij stemden in de Reichstag voor de oorlogsbegroting van de imperialistische regering; op dezelfde dag deden parlementsleden van de Franse Socialistische Partij hetzelfde in de Kamer van Volksvertegenwoordigers.
[18] Josef Pilsudski (1876-1935): aanvankelijk een socialist met nationalistische standpunten, in 1920 leidde hij de anti-sovjetkrachten in Polen, in 1926 leidde hij een staatsgreep en vestigde hij een dictatuur.
[19] Warski: een vriend van Rosa Luxemburg die bij de meningsverschillen tussen Luxemburg en de bolsjewieken de zijde van Luxemburg koos. Toen de Comintern een bocht naar links maakte in haar fase van de “Derde Periode”, werd Warski uit de leiding van de Poolse Communistische Partij gezet, maar niet uit de partij gesloten. Hij verdween in de Sovjetunie ten tijde van de ‘grote zuivering’ van 1936-38.
[20] Rosa Luxemburg (1870-1919): Belangrijke revolutionaire theoretica en leidster. Aanvankelijk actief in de socialistische beweging in haar geboorteland Polen, maar nadien een leidster van de linkerzijde in de Duitse Sociaal-Democratische Partij. Luxemburg belandde samen met Karl Liebknecht in de gevangenis omwille van haar oppositie tegen Wereldoorlog I. Na hun vrijlating leidden beiden de Spartakusbund. Ze werden gearresteerd en vermoord tijdens de onsuccesvolle revolutie van 1919.
[21] De eerste “dictatuur van het proletariaat” of “arbeidersdemocratie”, maart 1871
[22] Gaston Doumergue: bonapartistisch premier van Frankrijk. Opvolger van Edouard Daladier, wiens regering viel de dag na de rellen van 6 februari 1934.
[23] In Frankrijk
[24] Het blad van de Socialistische Partij
[25] Het blad van de Communistische Partij
[26] “De Derde Periode”: Volgens het stalinistische schema, was dit de “finale periode van het kapitalisme”, de periode van haar onmiddellijke ineenstorting en vervanging door sovjets. De periode is belangrijk voor de ultra-linkse en avonturistische tactieken van de communisten, vooral met het concept van het sociaal-fascisme.
[27] Rode Front Strijders: door communisten geleide militie die verboden werd door de sociaal-democratische regering na de rellen in Berlijn op 1 mei 1929
[28] 1934
[29] Franse monarchisten rond het blad Action Française van Charles Maurras, een gewelddadige anti-democratische groep
[30] Pierre Renaudel (1871-1935): voor WO I de rechterhand van de socialistische leider Jean Jaurès en redacteur van L’Humanité. Tijdens de oorlog werd hij een rechtse sociaal-patriot. In de jaren 1930 leidde hij samen met Marcel Deat de “neo-socialistische” tendens. Toen deze tendens op het partijcongres van de Socialistische Partij in 1933 weggestemd werd, splitsten ze af. Na de fascistische rellen van 6 februari 1934 sloten de meeste “neo’s” aan bij de Radicale Partij, de belangrijkste partij van het Franse kapitalisme.